Volgens de DSM-IV, een psychiatrisch classificatiesysteem, bepalen de volgende criteria of er sprake is van een autistische stoornis:

A. Een totaal van zes (of meer) items van (1), (2) en (3):

(1) Kwalitatieve beperkingen in de sociale interacties, zoals blijkt uit ten minste twee van de volgende:

  • Duidelijke stoornissen in het gebruik van non-verbaal gedrag, zoals oogcontact, gelaatsuitdrukking, lichaamshoudingen en gebaren om de sociale interactie te bepalen.
  • Er niet in slagen met leeftijdgenoten tot relaties te komen die passen bij het ontwikkelingsniveau.
  • Tekort in het spontaan proberen met andere plezier, bezigheden of prestaties te delen.
  • Afwezigheid van sociale of emotionele wederkerigheid.

(2) Kwalitatieve beperkingen in de communicatie, zoals blijkt uit ten minste één van de volgende:

  • Achterstand in de ontwikkeling van gesproken taal.
  • Duidelijke beperkingen in het vermogen een gesprek met anderen te beginnen of te onderhouden.
  • Stereotype en herhaald taalgebruik of eigenaardig woordgebruik.
  • Afwezigheid van gevarieerd spontaan fantasiespel ('doen-alsof'-spelletjes) of sociaal imiterend spel ('nadoen'-spelletjes) passend bij het ontwikkelingsniveau.

(3) Beperkte, zich herhalende stereotype patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten, zoals blijkt uit ten minste één van de volgende:

  • Sterke preoccupatie met één of meer stereotype en beperkte patronen van belangstelling die abnormaal is ofwel in intensiteit ofwel in richting.
  • Duidelijk rigide vastzitten aan specifieke niet-functionele routines of rituelen.
  • Stereotype en zich herhalende motorische manieren (zoals fladderen of draaien met hand of vingers, of complexe bewegingen met het hele lichaam).
  • Aanhoudende preoccupatie met delen van voorwerpen.

B. Achterstand in of abnormaal functioneren op ten minste één van de volgende gebieden met een begin voor het derde jaar:

(1) sociale interacties

(2) taal zoals te gebruiken in sociale communicatie

(3) symbolisch fantasiespel

Volgens de DSM-IV is er sprake van PDD-NOS als er niet voldaan wordt aan de criteria voor een autistische stoornis vanwege een begin op latere leeftijd, atypische symptomatologie of te weinig symptomen, maar wel sprake is van:

Ernstige of pervasieve beperking in de ontwikkeling van de wederkerige sociale interactie, of van de verbale en non-verbale communicatieve vaardigheden, of als stereotype gedrag, interesses en activiteiten aanwezig zijn.

Het Syndroom van Asperger verschilt van de Autistische Stoornis in het volgende:

  • Er is geen significante algemene achterstand in de taalontwikkeling. De criteria zoals genoemd onder A (2) bij de autistische stoornis vervallen dus.
  • Er is geen significante achterstand in de cognitieve ontwikkeling of in de ontwikkeling van bij de leeftijd passende vaardigheden om zichzelf te helpen, gedragsmatig aanpassen en nieuwsgierigheid over de omgeving.

Bij Asperger gaat het vaak om personen met een normale tot hoge intelligentie.