Afhankelijk van welke klachten op de voorgrond staan, zijn er specifieke patronen in het (Q-)EEG te verwachten. Als planningsproblemen, anticipatieproblemen met betrekking tot consequenties van gedrag, problemen in de impulscontrole of concentratieproblemen op de voorgrond staan, dan worden in het (Q-)EEG vaak in de voorste hersengebieden (frontaal en prefrontaal) afwijkingen gezien. De problemen kunnen zich zowel uiten in overactiviteit als onderactiviteit (zie figuur 1).

Bij problemen met inzicht, overzicht en inschatting van sociale situaties kunnen de problemen zich meer in de rechter hersenhelft of pariëtaal (aan de achterkant van de hersenen) voordoen. Ook hier geldt dat het zowel om overactiviteit als onderactiviteit kan gaan (zie figuur 2).

Als de voornaamste klachten meer prikkelgevoelig zijn, worden ook wel pariëtaal bijzonderheden in het (Q-)EEG gezien. Dat komt omdat pariëtale hersenstructuren de binnenkomende informatie verwerken en integreren. Veelal is er bij pervasieve ontwikkelingsstoornissen sprake van een verhoogd angstniveau, waarbij met name in de rechterhersenhelft en pariëtaal een verhoging van snelle hersenfrequenties kan worden waargenomen.